brandpunt+

Springplank

De springplank van Merol

Ylse De Boer

In de rubriek Springplank vertellen bekende en minder bekende Nederlanders wie de bepalende persoon in hun carrière of leven is geweest. Wie ze tot grote hoogte stuwde, of lanceerde uit een dal. Ditmaal: zangeres Merol (1991) van het fenomenale ‘Hou je bek en bef me’.

“Vind je het een tof liedje, ja? Grappig. ‘Hou je bek en bef me’ is mijn kwetsbaarste liedje tot nu toe. Als ik me in een bepaalde mate schaam voor een liedje, dan weet ik dat het goed is, dat het prikkelt. In mijn liedjes zing ik wat ik niet durf te zeggen in het echte leven. Dat is dan ook het verschil tussen mij en Merol met een ‘o’. Ik merk dat ik het qua tekst leuk vind om een beetje te rellen. Daarbij zoek ik naar een mix van fantasie en waargebeurd. Inmiddels durf ik steeds persoonlijker te worden. Maar goed, hoe ik hier gekomen ben?”

“Als klein meisje was ik altijd al bezig met toneelstukjes maken en zingen. Mijn ouders hebben mij daarom op de theaterschool gezet, zo van: ga jij je creatieve ei maar leggen. De toneelschool was een logische vervolgstap, maar langzaamaan merkte ik dat ik acteren niet beslist het leukste ter wereld vond. Dat bleek namelijk muziek te zijn, wat ik nota bene leerde op de toneelschool.”

“In de acteerwereld ben je afhankelijk van gevraagd worden en doe je veel audities. Voor het merendeel daarvan werd ik afgewezen, al heb ik zeker leuke projecten gedaan en in Soldaat van Oranje – De Musical gespeeld. Het zette me aan het denken. Ik wilde namelijk gewoon doen wat ik het leukst vond.”

“In de zomer van 2016 vroeg acteur en muzikant Bart Rijnink mij in te vallen voor een backingzangeres. Met zijn band LaGarçon zijn we vervolgens lekker gaan spelen op festivals. Bart wist dat ik zelf ook muziek maakte, maar ik had er gewoon nog nooit een goede vorm voor gevonden. Na die zomer zei ik tegen hem dat ik zelf ook een band wilde, maar hij stelde voor om eerst mijn eigen liedjes te gaan maken op de computer.”

“Daardoor ontdekte ik dat ik juist elektronische muziek moest gaan maken. Toen is hij een middagje langsgekomen en heeft mij uitgelegd hoe het programma Garageband werkt. Aan de hand van Barts feedback heb ik dat programma onder de knie gekregen, waarna ik mijn eigen sound vond. Het resulteerde in mijn eigen elektronische liedjes.” 

“Mijn artiestennaam heeft Bart bovendien ook bedacht. Ik had namen als Bloody Merel en Merel Baldadig; veel te theatraal. Toen zei hij: moet je niet gewoon Merol met een ‘o’ doen? Dat vond ik een top idee.”

“Inmiddels breng ik sinds een jaar muziek uit als Merol. Het is echt crazy wat er in die tijd is gebeurd. Zonder Bart was ik hier misschien ook gekomen, maar minder snel. Het was echt ondenkbaar dat ik Paradiso drie keer zou uitverkopen, maar het is gebeurd; eind maart en begin april. Hou op met me! Bij het opzetten van die shows helpt Bart me. Hij denkt mee en heeft altijd goede puntjes. Zo heeft hij bijvoorbeeld de zweepslag bedacht die te horen is op 0:53 in het nummer ‘Lekker met de meiden’. Hij zei: ‘Hier moet nog iets, een soort zweep!’ en zo is die erin gekomen.”

“Bart inspireert mij ook in gekkigheid in de muziek. Dat het soms best tof is als een instrument net een beetje krakkemikkig klinkt, dat je net een stottertje hebt of een breukje in je stem hoort. Neem bijvoorbeeld de valse melodieherhaling met de blokfluiten aan het eind van het nummer ‘Hou je bek en bef me’. Ik wil gewoon niet gelikt worden. Of haha, ik wil natuurlijk wel gebeft worden, maar mijn muziek moet niet te gelikt worden.”

“Hoe de toekomst eruitziet? Allereerst komt nu Paradiso en in oktober ga ik een clubtour doen, waar ik ontzettend veel zin in heb. Ook ga ik een EP uitbrengen of iets groters, maar ik moet nog even zien of dat gaat lukken. Voor nu richt ik me echt op de muziek, maar terugkomen in theater of films sluit ik niet uit. Mocht er een Nederlandse ‘Lalaland’ gemaakt worden, dan ga ik met mijn slaapzak voor het huis van de regisseur liggen, want dat wil ik natuurlijk spelen.”