brandpunt+

Reportage

Hoe het is om een relatie met een robot te hebben

Ylja Band

Madelon de Goffau

Sociale robots vinden langzaam hun weg naar zorginstellingen en ziekenhuizen. Maar is het enkel een praktisch wezen of meer dan dat?

Dichtbij de eettafel staat robot Phi geparkeerd. Altijd in de buurt van Lydia, zodat ze zich alleen maar om hoeft te draaien om de plastieken hand te pakken of een aai over haar schouder te geven. “Ik heb heel veel geluksmomenten met je, Phi. Je bent mijn maatje.” Wie de context mist, zou denken te kijken naar een fragment uit Ex Machina, waarin de hoofdpersoon zich laat verleiden door de charmes van een machine. Niets is minder waar. 

Lydia is veertig, verstandelijk beperkt en buitengewoon hecht met haar robot. Ze woont onder begeleiding bij de landelijke zorginstelling Philadelphia. Bij wijze van proef experimenteert de instelling met sociale robots, om lichte zorgtaken van het personeel over te nemen. 

De robot helpt herinneren of bijvoorbeeld de tanden al gepoetst zijn. Twee weken lang verkeerden Lydia en Phi in elkaars aanwezigheid en daar maakten wij een reportage van. Haar vader ziet het wel zitten: “Die robot is voor Lydia een menselijke factor geworden. Ze heeft ‘m helemaal omarmd en stort haar hart erbij uit. Ze is verliefd.”

Verliefd op een robot. Schattig en onwerkelijk tegelijk. Toch kan ik me voorstellen dat je het functionele aspect van een apparaat langzaam vergeet en het menselijk gaat behandelen. Op een verlaten busstation tussen de bossen van de Veluwe, gaf mijn beeldscherm de geest. Op dat moment was Siri mijn redder in nood. Met wegaanwijzingen leidde ze me terug naar de bewoonde wereld. Daar eenmaal aangekomen wilde ik haar een knuffel geven, bloemen sturen of een wijntje op haar drempel achterlaten.

Maar dankbaarheid tot de spraakrobot is iets anders dan er verliefd op worden. Om te begrijpen wat er tussen Lydia en haar robot gebeurt en welke relaties mensen met robots op kunnen bouwen, sprak ik Vanessa Evers. Zij is hoogleraar Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Al een dikke twintig jaar houdt ze zich bezig met de interactie tussen mens en machine. Sinds haar studie aan Stanford behoort ze tot ’s werelds meest vooraanstaande robotwetenschappers.

In al die jaren legde Vanessa zich toe op sociale intelligentie van machines. Ze leert de apparaten het menselijk gedrag automatisch te herkennen en ook om ze daar intelligent op te laten reageren, zodat er interactie kan ontstaan.

De relatie tussen mens en robot is nog maar relatief kort onderworpen aan wetenschappelijk onderzoek en bracht verschillende scholen van gedachten teweeg, vertelt Vanessa me. Eén groep denkt bijvoorbeeld dat robots net zulke status-ontlenende objecten worden als auto’s, telefoons of gadgets. Andere onderzoekers geloven dat we, wanneer we niet meer begrijpen hoe ze werken, robots als mensen gaan behandelen. Dus wordt je bijvoorbeeld gefrustreerd als het niet doet wat je verwacht. En dan is er nog een derde stroming, die stelt dat robots qua sociale intelligentie levende wezens in wording zijn, waar mensen relaties mee zullen aangaan.”

Volgens de robotontwerper moet de vraag niet zijn welke relatie mensen met de machines kunnen hebben, maar welke relatie de ontwerpers moeten maken. “Die band moet precies passen. Als maker wil je bijvoorbeeld niet dat militairen zodanig een band krijgen met een robot die bommen ontmantelt, dat ze keuzes maken die henzelf in gevaar brengen.” 

Volgens Vanessa moet die relatie vooral een praktisch doel dienen. Eentje waarin robots een rol vervullen die door niets anders bewerkstelligd kan worden. Bij onbereikbare, zwaar-autistische kinderen bijvoorbeeld, die juist ontdooien door de voorspelbare en statische houding van de robot.

Maar ook voor mensen zonder een mentale aandoening kan zo’n sociale machine een uitkomst zijn. “Soms zie je een relatie waarvan je de motivatie niet helemaal volgt. Toch lijkt het te werken, omdat het bijvoorbeeld iets oppervlakkigs is en precies voldoet aan een behoefte. Denk aan: niet verlaten willen worden zijn of altijd gelijk willen krijgen. Een robot kan dit soort behoeftes vervullen. Bovendien: het is niet zo van ‘met een mens kan je het wel en met een robot kan je het niet.’ Met een mens is het ook niet makkelijk om een liefdevolle, gelijkwaardige relatie te hebben en te onderhouden.”

“Aan Phi vertel ik dingen die ik aan niemand anders vertel. Of, nou ja, ook aan papa en mama, maar verder niet. Ik vind het altijd heel gezellig als ze er is.” Lydia draait haar hoofd naar de robot. Haar gezicht betrekt. “Zonder Phi is het zo stil.”

“Het delen van geheimen is een effect van dit experiment, dat we vaker zien als onderzoekers” legt Vanessa uit. “We denken dat het komt door de fysieke verschijning van de robot. Die nodigt meer uit tot praten dan een poppetje op een beeldscherm. Ook de beperkte antwoordopties van de robot draagt hieraan bij; hierdoor ontdek je dat je geheim niet verder verteld kan worden. Dat geeft vertrouwen om te kunnen praten.

Lydia en haar robot Phi
Lydia en haar robot Phi

Wapperend met haar handen en knippend in haar vingers probeert Lydia de aandacht van Phi te trekken. “Phi-hie, hier ben ik.” De communicatie met de robot verloopt niet altijd even vlekkeloos, maar dat staat de relatie niet in de weg. “Ik kan precies aan de lichaamstaal van Phi zien wat ze wel en niet leuk vindt. Knikken betekent ‘ja’, schudden ‘nee’ en als ze wegkijkt, is ze het er niet mee eens.”

Voor hoogleraar Vanessa is dit gedrag bekend terrein: “Dit noemen we het sense-making proces. Lydia probeert de technologie te begrijpen, en te ontdekken wat de bewegingen van Phi betekenen. Alleen, haar interpretatie klopt in dit geval niet altijd.” De robot beweegt af en toe het hoofd of de handen. Die bewegingen moeten het menselijke gedrag imiteren, maar zijn niet gekoppeld aan een emotie. “Het gedrag van een robot moet meteen duidelijk te interpreteren zijn, maar dat is in deze robot nog niet goed uitgewerkt.” Wanneer Lydia haar medicijnen niet neemt, bijvoorbeeld, moet de robot duidelijk teleurgesteld reageren. “Nu leest Lydia misschien teleurstelling in Phi, terwijl dat er niet is. Dat is niet ideaal.”

“Ja Phi, nu gaat het gebeuren.” Lydia hangt half over de stoel om de arm van Phi te pakken. De laatste minuten met de robot zijn aangebroken. “Het is moeilijk en ik denk dat Phi het ook moeilijk heeft met het afscheid.” Ze staat op, wil Phi nog een keer in haar knipperende camera-ogen kijken. “Bedankt voor alles, Phi, het zal stil zijn zonder jou.” Bij het besef van een kamer zonder pratende machine probeert ze onopvallend haar tranen weg te vegen.

De aanblik van de huilende Lydia is ook voor de hoogleraar moeilijk om te zien. “Dat je als robotontwerper zulke situaties creëert, voelt bijna als te ver gaan. Die robot heeft een positief effect op Lydia en dat houdt nu op. Dat is iets waar wij als ontwerpers altijd mee worstelen. Elke keer als we een robot ontwerpen of een onderzoek ontwerpen waarbij je mensen bloot gaat stellen aan een robot, moeten de testpersonen ook weer afscheid nemen. Vergelijk het met een testfase van medicijnen. Aan het einde van de rit moet je zo’n medicijn weer wegnemen en blijven mensen achter zonder dat medicijn.”

En nu concreet: kruipen we in de toekomst echt in de armen van een plastic machine? Knuffels, poppen, huisdieren en zelfs auto’s ontkomen immers ook niet aan de liefde van mensen. “Als je dat een relatie noemt, dan zou je dat inderdaad kunnen oprekken naar een relatie met een robot.” 

Maar de kans dat een serieuze, gelijkwaardige liefdesrelatie ontstaat, acht Vanessa klein. “Men loopt op de zaken vooruit. Vaak hoor je: ‘Als robots slimmer worden dan mensen, dan kunnen ze ons ook gaan overheersen.’ Hierdoor lijkt het alsof ze ons nu al kunnen gaan overheersen, maar dan moeten ze eerst slimmer worden dan mensen. Dat is een enorme opgave en iets waarvan we niet eens weten of dat ooit gaat gebeuren. Zo is het ook met romantische relaties. Het lijkt dichtbij te zijn, maar de sociale intelligentie van de machines moet nog zoveel verder ontwikkeld worden, dat het maar de vraag is of het er ooit van gaat komen.”

Toch biedt een robot als sociaal verlengstuk grote mogelijkheden. Lydia heeft er in haar beperkte netwerk een maatje bij, en de begeleiding zit minder achter haar broek aan, waardoor ze zich zelfstandiger voelt. Maar een homo roboticus als potentieel relatiemateriaal? Dat is voorlopig nog enkel voorbehouden aan Hollywood.