brandpunt+

Interview

Deze 23-jarige mbo’er wil namens D66 de Utrechtse gemeentepolitiek veroveren

Jeroen Pen

Veerle Weustink

De carrière van de 23-jarige Mohammed Saiah (roepnaam Mo) is op z’n zachtst gezegd stormachtig te noemen. Anderhalf jaar geleden had de mbo-student nog amper interesse in politiek, inmiddels is hij nummer tien op de lijst van D66 Utrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen aanstaande maart.

Bij de vorige verkiezingen haalden de democraten nog dertien zetels in de Domstad. Met andere woorden: als die lijn wordt doorgezet, zit Mo straks in de gemeenteraad. Reden te meer hem eens bij de KRO-NCRV uit te nodigen om over een pizza de ambities van de mogelijke volksvertegenwoordiger door te nemen.

Halverwege ons gesprek, als we alle drie een zojuist bezorgde vierkazen-pizza aan het verorberen zijn, gaat het even over salaris. Mo, 23 jaar, nu nog mbo-student Marketing, communicatie en evenementenorganisatie aan het ROC Midden Nederland, en nummer tien op de lijst namens D66 straks bij de gemeenteraadsverkiezingen in Utrecht, haalt zijn schouders op en zegt met volle mond: “Je krijgt de één of andere vergoeding, volgens mij, maar niet écht betaald, als raadslid.”

Wij vermoeden iets anders, dus zoeken het op, en wijzen Mo erop dat hij als het even meezit iets meer dan 1800 euro per maand gaat verdienen. Bruto, weliswaar, dus geen vetpot, maar toch meer dan een veredelde stagevergoeding.

“Oh,” zegt Mo, en hij kauwt rustig zijn mond leeg. “Dat wist ik niet. Bij de studentenraad kreeg je 30 euro per vergadering, ik dacht dat het zoiets zou zijn. Misschien een paar honderd euro per maand, maar niet meer.”

Wacht – dat wist hij echt niet? Hij schudt van nee, zijn mond inmiddels weer gevuld met kaas en deeg. “Daar ben ik niet mee bezig, daar gaat het mij niet om.”

Zelden zagen we iemand wiens mogelijke maandsalaris net 1500 euro hoger uit blijkt te vallen dan verwacht even ongeïnteresseerd als doodgemoedereerd doorkauwen.

“Lekkere pizza,” knikt hij goedkeurend, en neemt nog een hap.

Hoe onbewogen hij reageert op een – als we zo vrij mogen zijn – best aardig bedrag, zo bevlogen is Mo als we het hebben over ‘zijn’ wijk: Overvecht in Utrecht. Een wijk waar hij nog relatief nieuw is: Mo groeide op bij zijn Marokkaans-Nederlandse ouders in het Gelderse Culemborg, dat nog geen 30 duizend inwoners kent en volgens hem ‘bij voorbaat wordt gezien als achterstandswijk’.

Hij was ook niet het soort jongen die al op jonge leeftijd in de debatclub, leerlingenraad of schoolkrant zat. “Ik was eigenlijk nooit politiek betrokken,” vertelt hij. “Tot ik naar Utrecht verhuisde en daar op het mbo terecht kwam. Daar zag ik hoe een heleboel jonge mensen ongelijke kansen krijgen. Die voelen zich totaal niet vertegenwoordigd door de politiek. Daar wil en ga ik iets aan veranderen.”

Want hoezeer hij Overvecht ook lief heeft, dat er wat moet gebeuren, is voor Mo evident. “In ‘mijn’ wijk wonen 34 duizend mensen, van 170 verschillende nationaliteiten,” dreunt hij op. “Er is alleen nul cohesie of sociale verbinding. Meer dan 40 procent van de inwoners van Overvecht is werkloos. Kinderen groeien op in armoede en komen in een negatieve spiraal terecht.” Hij vertelt gepassioneerd over de wijk, waar hij nu al laagdrempelige evenementen als etentjes organiseert om de onderlinge verbondenheid te versterken.

En over Utrecht, dat meer zijn thuis werd dan Culemborg ooit was. “Ik voel me meer Utrechter dan Nederlander, als ik eerlijk ben.”

Voor zijn stad zet Mo zich onverstoord in – nu dus al. D66 collega’s beschrijven hem als een even meelevende als enthousiaste spin in het Overvechtse web. En toch - hoe komt het dat een jongeman van 23 lentes jong, zich plots besluit te bemoeien met de tamelijke stoffige aangelegenheid die lokale politiek heet?

“Ik zat te kijken naar Pechtold en dacht: fuck, hoe kan je hem leuk vinden?"
“Ik zat te kijken naar Pechtold en dacht: fuck, hoe kan je hem leuk vinden?"

En hoe komt hij dan ook nog eens bij D66 terecht?

“Nou,” vertelt Mo, iets naar voren buigend, “ik heb in maart nog GroenLinks gestemd.”

Wacht even, deze door D66 Utrecht tot groot politiek talent verklaarde enthousiasteling stemde kort geleden nog vrolijk op een concurrent?

“Nou ja, iedereen had een relatief flutverhaal, vond ik toen. Maar ik zat wel te kijken bij links.”

Zo links is D66 toch ook weer niet? Waarom dan deze keuze, dringen we aan?

“Nou, ik ben natuurlijk nieuw, wat dat betreft. Kijk, ik was eerder dit jaar bij een borrel van D66, had hele normale kleren aan, tussen allemaal oudere mensen in pak. Onderweg naar huis dacht ik: fuck, dit is wel heel blank en elitair. Maar daarna ben ik partijprogramma’s gaan lezen en toen wist ik: ik pas het best bij deze partij, vooral lokaal kan ik hier een steentje bijdragen aan het verschil maken.”

Een tamelijk late keuze, herhalen we nog maar eens. “Mijn politieke interesse is pril,” erkent Mo, wiens ouders altijd PvdA stemden, geduldig. “Ik wil mensen in de wijk kansen geven, met elkaar verbinden. Ik ben me er in gaan verdiepen, en geloof dat dit bij D66 het beste kan.”

Twee van onze redacteuren in gesprek met Paula, lijsttrekker van de Amsterdamse SGP 16 Feb 2018 Twee van onze redacteuren in gesprek met Paula, lijsttrekker van de Amsterdamse SGP

Is D66 niet – vooruit, we chargeren een beetje – een elitaire studentenpartij voor mensen met een dubbele achternaam?

Geen onterechte vraag, vindt Mo. “De witte, hoogopgeleide vrienden die ik heb vonden Pechtold allemaal leuk en grappig, viel me op tijdens campagnetijd.” Een mening die hij zelf niet direct deelde. “Ik zat te kijken en dacht: fuck, hoe kan je hem leuk vinden? Ik zag niemand die mij écht vertegenwoordigde, toen. Ik vond bijna iedereen elitair – Rutte en Buma bijvoorbeeld voorop. En elitair is niet per definitie slecht. Wat ik mooi vind aan Pechtold is: hij geeft toe dat hij opgegroeid is met rijke ouders en veel privileges, maar ziet en begrijpt de problemen die er spelen. En de oplossingen van D66 vind ik het best.”

Wat hij inmiddels van voorman Pechtold vindt, willen we weten. “Nu vraag je me heel wat. Ik ken hem niet, heb hem nooit face to face gesproken. En als ik iemand niet ken, heb ik er ook geen mening over. Maar hij is vast een hele aardige gozer.”

Hij heeft geen kennis mogen maken met het politieke kopstuk, maken we hier uit op. “Ik heb hem wel een keer van dichtbij gezien, hij stond op een podium en vertelde over het regeerakkoord. Dat hij 80 procent van de partijpunten erin had gekregen.” Of dat een spannende bijeenkomst was, vragen we – D66 wil immers al langer regeren. Mo haalt zijn schouders op. “Toen ik daar zat dacht ik vooral: wat doe ik hier? Het duurde lang, was soms wat saai. Ik moest nog een beetje wennen aan het wereldje.”

Het weerhield zijn collega’s, die hem roemen om zijn bevlogenheid en interesse in praktisch alles, er niet van hem op plek tien te zetten. Op dat telefoontje moet hij wel met gebalde vast hebben gereageerd, veronderstellen we. Maar Mo schudt zijn hoofd.

“Ik was in Duitsland toen ze me belden. Ik was er heel chill over, dacht gewoon: leuk, had niet door dat het zo groot was. Pas toen ik het aan mensen vertelden en zij reageerden van wooooow, drong het tot me door. Toen ben ik wel gaan denken: wat maakt mij nou zo speciaal? Waarom verdien ik die plek, waarom krijg ik die kans?”

Als we hem naar een antwoord vragen, toont hij zich bescheiden. “Om een cliché te gebruiken: iedereen is speciaal of uniek. In de politiek val je alleen meer op als je eerder geen band met het wereldje had. Dat ik uit een omgeving kom waar politiek altijd ver weg leek, maar toch mee wil doen, puur omdat ik kansen zie om mensen te helpen. Echt, ik ben hier niet om carrière te maken, ik ben hier om de wereld beter te maken. En ik deed al veel in Overvecht waar dat uit bleek. Mijn verhaal is best goed. En misschien spreek ik een andere doelgroep aan dan de andere kandidaten, maar dat is speculeren. Ik weet niet of dat een rol speelde.” Hij haalt zijn schouders op, en zet zijn tanden nog maar eens in de vier kazen-pizza die voor hem ligt.

Dan opent een vrouwelijke collega van ons de deur van het glazen hokje waar we onze pizza in verorberen. Ze knikt vriendelijk naar Mo, en vraagt: “Ouassim, toch?”

Nee, antwoordt die. De vrouw mompelt dat ze zich heeft vergist, groet, en beent weg.

Enig ongemak dringt zich bij ons op: de diversiteitsdiscussie wordt vrij breed gevoerd en de KRO-NCRV kent, zoals zoveel mediabedrijven, een relatief wit medewerkersbestand. Onze collega bedoelde het natuurlijk goed, maar we vrezen dat die nobele intenties op onze gast overkomen als een verkapte ‘‘jullie’ lijken allemaal op elkaar’.

Aangezien ongemak er is om benoemd te worden en enige schaamte ons parten speelt, zeggen we het tegen Mo. Die heeft er geen last van. “Nee joh, niets aan de hand. Mensen kunnen toch op elkaar lijken,” zegt hij - niet vragend, maar concluderend. De Utrechter is zowel tegen als over iedereen even vriendelijk.

Na deze - vooral in onze ogen - ongemakkelijke interruptie, begint het toekomstig gemeenteraadslid over één van zijn paradepaardjes: het mbo. Want mbo’ers krijgen volgens Mo zelden de kansen die hbo’ers krijgen. Mo spreekt uit ervaring, hij zit zelf op het mbo en dit wakkerde zijn passie over dit onderwerp alleen maar meer aan.

“Het doet me pijn om te zien dat mbo’ers onderaan de samenleving rond dwarrelen, terwijl dat helemaal niet nodig is,” vertelt hij. “En het klopt ook niet! 70% van de samenleving is mbo’er. Zij zijn het fundament van dit land. En toch worden ze structureel ondergewaardeerd en krijgen ze niet de rechten die studenten horen te krijgen.”

Over welke rechten heeft hij het dan, vragen we. Mo steekt van wal: “In de wetboeken wordt er gerefereerd naar mbo’ers als ‘deelnemer of leerling’, niet als student. Ik ben verdomme geen cursus aan het doen. Het is simpel: ik studeer, dus ik ben student. Erken dat.”

“Een ander voorbeeld: een hbo’er mag een kamer zoeken op websites als Stichting Studenten Huisvesting, een mbo’er mag dat niet,” vervolgt hij. “En ook studentenverenigingen laten geen mbo’ers toe.”

De frustratie spat ervan af - even kan Mo zich niet inhouden. "Het is zo'n ongelooflijke bullshit. Hbo’ers hebben studentenpassen waar ze overal korting mee krijgen, die krijgen mbo’ers niet. Dat klopt dus voor geen meter. Dan denk ik gewoon: ‘tief op!’”

Als hij een beetje gekalmeerd is, benadrukt Mo dat het probleem groter is dan kortingspassen en huisvesting. “Ons hele onderwijssysteem is erop ingericht dat je doorstroomt naar het hbo. Ik heb zelfs in een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau gelezen dat het doel van het mbo moet zijn ‘door te stromen naar het hbo’. Daar moeten we echt vanaf.”

Ho ho, stribbelen we tegen - spreekt deze ambitie om door te stromen naar een hoger onderwijsniveau niet een prachtig ideaal uit? Dat je je door middel van diploma’s stapelen de ongelijke kansen die je wellicht in je jeugd hebt gekregen, recht kan trekken. Dat iedereen van een spreekwoordelijk dubbeltje een kwartje kan maken?

Mo aarzelt een moment, maar antwoordt resoluut. “Ja, maar een aspirant-bakker die op het mbo een bakkersopleiding doet, die heeft geen opleiding bakker-plus nodig op het hbo. Dat is te dom voor woorden.”

“Ik merk het overal dat ik als mbo’er lager wordt gewaardeerd,” gaat hij door. “Als ik vacatures lees staat er bijna altijd onder ‘hbo werk-en denkniveau’. Terwijl ik misschien wel voor die exacte functie ben opgeleid, maar dan op mbo niveau 4. Maar dan kan je naar die functie fluiten.”

We leggen hem even een gedachte-experiment voor. Stel: jij hebt je eigen bedrijf en krijgt tachtig sollicitaties binnen. Waarvan enkelen twintig boeken hebben gelezen, sommigen acht en anderen drie. Wie zou jij dan aannemen?

Na een korte stilte, kaatst Mo terug: “Wie zegt dat de mbo’er geen 20 boeken heeft gelezen?”

Waarom stroomt die persoon dan niet door naar het hbo, als hij het zo leuk vindt, prikken we nog een beetje door. “Ja.. ja.,” antwoordt Mo met tegenzin.

Even is hij stil, dan herpakt hij zich: “Het begint bij bewustwording. Als ik in de gemeenteraad kom, zorg ik ervoor dat we de term ‘student’ ook voor mbo’ers gebruiken. Want Utrecht is een studentenstad. En dat zou het moeten zijn voor elke student, niet alleen voor hbo'ers en wo'ers.”

Een goed moment om hem te vragen naar zijn andere plannen voor als hij in de gemeenteraad komt. Iets wat met een mooie tiende plek op de lijst, best voor de hand ligt.

“Kijk, heel concreet zijn mijn plannen nog niet,” vertelt hij, zijn stem iets dalend. “Ik wil vooral veel met mensen spreken nog, naar ze luisteren. Want dat is nodig.”

Ja, zo lusten we er nog wel een paar. Wat wil Mo straks in de gemeenteraad gaan doen?

Mo’s ogen gaan weer glimmen. Zijn handen bewegen alsof ze dolgraag met hem mee willen praten. “Velen voelen zich niet voldoende gehoord. Steeds meer mensen in Utrecht leven in armoede, maar schamen zich wel om naar de voedselbank te gaan. Dat terwijl ze niet rond kunnen komen en hun kinderen niet goed te eten kunnen geven. Die drempel wil ik wegnemen.”

Klinkt meer als de SP of PvdA dan als D66, weerleggen we.

Mo lacht. “Ik ben links, ja, klopt. Maar ik ben wél een D66’er. Echt. Het mooie is dat je mensen tegenkomt die er totaal anders over denken, waardoor je aan je eigen verhaal moet schaven. Daar word je alleen maar beter van. En als ik beter ben, kan ik mijn stad en wijk beter ondersteunen. Dat is het doel.”