brandpunt+

Even navelstaren hoor

Hoe bericht je over #MeToo als je er eigenlijk te veel van weet?

Jeroen Pen

Als journalist verzamelt Jeroen verhalen van anderen. Zijn eigen verhaal verzweeg hij. Het meest lastige interview blijkt soms een goed gesprek met jezelf.

Hoe krijg je iemand zo ver dat-ie iets vertelt wat hij liever voor zich houdt?

“Ze moeten wel willen praten, natuurlijk, en dat is vaak moeilijk bij dit soort gevallen,” zegt een collega, verwijzend naar #MeToo. Het is oktober 2017 en we bekokstoven hoe we dit onderwerp het beste kunnen verslaan.

Vrijwel alle journalisten die ik ken, worden gedreven door een bepaalde mate van idealisme. Maar een verhaal moet natuurlijk wel spannend zijn, en een hoofdpersoon hebben die als ervaringsdeskundige goed kan uitleggen hoe het zit. Ons werk bestaat dan ook grotendeels uit op mensen inpraten. Als ware meesterstrategen zoeken we naar de juiste woorden om iemand de juiste woorden te ontlokken. Met de beste bedoelingen natuurlijk. Ratjes zijn we soms – maar lieve ratjes.

Ik richt me tot mijn collega en zeg: “Volgens mij is het belangrijk om te benadrukken dat slachtoffers door hun verhaal te doen andere slachtoffers weer helpen. Dat er nog veel meer mensen zijn die dit hebben meegemaakt, die zich alleen voelen omdat ze zich zo schamen.”

Mijn collega knikt. “Klinkt als een goed strijdplan.”

Even later kijk ik op de wc in de spiegel en vervloek binnensmonds mijn lafheid. Terwijl ik juist in deze periode voor het eerst aan dierbaren heb durven vertellen wat er gebeurd is, zwijg ik op de werkvloer.

De laatsten aan wie ik het vertel, zijn mijn ouders. Per fiets vertrek ik naar het huis waar ik opgroeide. Van tevoren had ik ze gebeld dat ik Iets Serieus wilde bespreken.

Eenmaal daar nemen ze plaats aan de houten eettafel waar ze – 42 jaar samen – al een paar decennia aan ontbijten en dineren. De tafel waar ik bijna twee decennia dagelijks de maaltijden van mijn moeder at. Zelden vette hap; ons dieet bestond uit pompoen, aubergine, spruitjes, kool, andijvie. De groentegeworden manifestatie van een beschermde jeugd.

Als ik de zilverrijst te droog vond, verstopte ik, als kind nog niet gezegend met een besef van wat anderen wel of niet doorhebben, het onder mijn bord. Iets anders hield ik beter verborgen. Dat schoof ik niet onder mijn bord, maar onder het tapijt.

Mijn ouders nemen plaats tegenover elkaar, op hun vaste plek, zoals ze dat zolang als ik me kan heugen doen. Ik verzoek ze te breken met traditie en naast elkaar te gaan zitten, zodat ik met beiden oogcontact kan maken. Mijn favoriete gewoontedieren verzetten zich in woord en daad, tot ik ze er met doorrookte en rasperige stem aan herinner dat het ernstig is.

Uit zenuwen loop ik de achtertuin in en steek een sigaret op, weeg nog één keer mijn woorden, weersta twijfel, loop terug naar binnen, neem plaats aan tafel, kijk mijn vader en moeder om de beurt aan en schraap mijn keel.

“Toen ik vijf was, ben ik misbruikt.” 

“Ik vind niet dat je dit verhaal moet schrijven,” zegt een collega als ik haar vertel dat ik van plan ben iets op te tikken over mijn eigen #MeToo-ervaring. Ik voel me uit het veld geslagen en een beetje verdrietig, dus ik werp haar een woedende blik toe.

“Dit soort verhalen passen niet echt bij ons als platform, denk ik,” verduidelijkt ze.

“Is het niet juist een van onze speerpunten: persoonlijke verhalen die een breder maatschappelijk probleem menselijk maken?” Haar reactie – ongetwijfeld goed onderbouwd – komt niet aan. Ik hoor wel klanken, maar de woorden dringen niet tot me door. Daarvoor ben ik te zeer van mijn stuk gebracht. Wat zullen de consequenties zijn – heeft het überhaupt zin om zoiets op te schrijven? Kom ik niet volstrekt pathetisch over? Niets is immers zo ergerlijk als jonge scribenten die elk deukje dat ze ooit hebben opgelopen tot kopij kneden.

“Volgens mij is het belangrijk te benadrukken dat er nog veel meer mensen zijn die dit hebben meegemaakt, die zich alleen voelen omdat ze zich zo schamen.”

Alleen: waar ligt de grens tussen eerlijkheid en net zo lang in de uiers van je eigen verleden masseren tot alle misèremelk eruit is gedruppeld?

In oktober 2017, vlak na #MeToo, interview ik Maartje Laterveer, die een indrukwekkend boek schreef over vrouwen en seksualiteit. Als ze vertelt dat ze als elfjarige al werd nagefloten op het platteland, fluister ik “Jezus Christus”, hoor ik terug op het bandje. “Kun je je indenken wat dat met je doet als je zo jong bent?”, vraagt Maartje. “Nee,” hoor ik mezelf antwoorden, “mannen weten niet hoe dat voelt.”

Ken je plek, jongen.

Mijn moeder veegt de tranen van haar wangen. “Denk je daarom dat het zo moeilijk was,” vraagt ze, verwijzend naar mijn puberteit.

“Nee,” antwoord ik op de toon die ik het liefst aansla: beschouwend, met distantie. Geen hoofdrolspeler maar commentator; geen slachtoffer maar duider. “Volgens mij niet, hoewel het natuurlijk ingewikkeld is om zoiets wetenschappelijk aan te tonen, met sample groups en zo,” analyseer ik. “Het gaat ook goed met me hè, voor de duidelijkheid.” Ik laat buiten beschouwing dat ik tot diep in mijn twintiger jaren zo gesloten was dat ik überhaupt niet over emoties kon spreken – met wie dan ook.

Dat leerde ik pas in therapie.

Een groot deel van het volstrekt onvolwassen gedrag dat voor jongens tot volwassenheid leidt, vond voor ons plaats rond de Johan Cruijff Arena. Mijn vrienden en ik waanden ons onaantastbaar, of deden in ieder geval onze uiterste best dat uit te stralen. Jongens die daar niet in slaagden, vonden we per definitie sukkels. Kwetsbaarheid bestond wel, maar manifesteerde zich vooral als Ajax een belangrijk doelpunt maakte of verloor. Dan deelden we euforie en leed zonder dit als zwaktebod te ervaren. Privézaken kwamen zelden ter sprake.

Journalistiek voor beginners: koppel een persoonlijk verhaal aan feiten, het liefst cijfers uit rapporten van het CBS. De werkelijkheid is knap ingewikkeld, nummertjes kunnen patronen bevestigen of ontkrachten. Zelfs artikelen over (vermeend) doorgeslagen rendementsdenken worden gretig onderbouwd met getallen.

In HP/De Tijd diepen drie mannen #MeToo eens flink uit. Het gaat over de schuldvraag, over trial by media. Het zwaartepunt van de discussie verschuift – het nieuwe is er inmiddels wel van af. De verhalen van slachtoffers verdwijnen door het welles-nietes weer naar de achtergrond. Uit onderzoek onder duizend Amerikaanse mannen blijkt dat 43 procent van hen dat hele #MeToo-gebeuren met precies niemand heeft besproken. Elders lees ik dat vrouwen vaker met depressie kampen dan mannen. Die knopen zich dan weer gretiger op: bijna twee keer zo vaak als vrouwen.

Enfin.

Slachtoffer, schmachtoffer. Vervelende ervaring, natuurlijk, maar ik kwam er – vergeef me de beeldspraak – zonder kleerscheuren vanaf. Althans, zo haast ik iedereen te verzekeren. Tegelijkertijd: hoe debiel en schadelijk was het dat mijn beste vrienden, broers, ouders en geliefden geen enkel benul hadden van iets wat ik 25 jaar meezeulde?

Ik ben niet de enige in Nederland, vermoed ik, maar daar zijn weinig rapportjes over. Al blijkt uit onderzoek van het EenVandaag opiniepanel dat bij vijftien procent van de mannen hun seksuele grenzen weleens zijn overschreden.

De reacties zijn hartverwarmend. Mijn beste vriend, tevens fervent Ajacied, blinkt uit in begrip. Forse mannenarmen trommelen onhandig op mijn schouders, voorzichtige geintjes volgen. We praten er niet lang over, maar ze weten het. Niemand oordeelt. De in decennia opgebouwde geslotenheid maakt plaats voor opluchting, soms zelfs voor euforie. Een vriendin vraagt na een innige omhelzing of ik erover ga schrijven. Ik antwoord dat ik twijfel, dat het meer een notie is dan een journalistiek verhaal.

Daar valt wat voor te zeggen, maar onder de streep is het gelul. Met de kennis van nu had ik mezelf een hoop gedonder kunnen besparen door wat opener te zijn. Bovendien voelde ik me gesteund door een beweging die liet zien hoe vervelend vaak dergelijke zaken plaatsvinden.

Daarom zeg ik het nu luid, zij het nog steeds een tikje beschaamd: ik dus ook.

Headerillustratie: Hannah Vischer