brandpunt+

Reportage

Twee millennials, vier linkerhanden: de verloren generatie op kluscursus

Pete Wu

Roos van Tongerloo

Onze Roos en Pete kunnen beter Twitteren dan timmeren. Daar hadden de geboren klunzen schoon genoeg van. "Als het moeilijk wordt, kan onze generatie bijna alles delegeren."

We hebben het geleerd, ooit: fiets op z’n kop, ventieltje los, vieze handen afvegen, lekke band eraf, vieze handen afvegen, band in een teiltje met water, vieze handen afvegen, etc. Toch laten we de fietsenmaker het doen, terwijl wij ons buiten druk staan te maken over het lot van de wereld. Waar ging het mis?

We zien het vaker om ons heen. Het lijkt soms alsof onze generatie het verleerd is om zelf de handen uit de mouwen te steken – of ja, verleerd: een praktische DIY-mentaliteit is bij ons nooit volledig ontwikkeld. We wonen allebei minstens tien jaar op onszelf, maar hebben nog steeds geen idee wat we moeten doen als de stoppen weer doorslaan, de geiser uitwaait of de wasmachine spontaan begint te lekken.

En dat terwijl onze eigen vaders alles kunnen. Die bouwen een verdieping extra op een huis of stukadoren zelf de muren (de vader van Roos), of trekken elektriciteitskabels door en verhangen lampen in een middag (de vader van Pete).

In een ultieme poging handiger en daarmee zelfredzamer te worden, bezoeken we samen een inhaalcursus klussen voor beginners.

Die volgen we in Baarn, waar de werkplaats van klusleraar Paul Sanders verstopt zit, ergens achterop het terrein van een woongigant. We waden door een stroom aan tuinstoelen, kastjes van steigerhout, fakkels met een handig statiefje en grote opblaasbare jacuzzi's van suède: allemaal spullen die wij (nog) niet kunnen maken. Maar geen zorgen: volgens de website van Paul biedt de “stoere” workshop klussen waar we naartoe gaan soelaas.

We worden ingehaald door iemand met een plank onder z’n arm. Vlak voordat we de handgemaakte houten aanwijsbordjes naar Pauls atelier naar boven volgen, vragen we elkaar of we er wel klaar voor zijn, kluswoke worden.

Pete: Ben je bang dat je het verkeerd doet?

Roos: Hm, ik wil altijd graag alles goed doen en ik weet dat ik dit nog niet kan.

Pete: Past dit in een grotere context, dit gevoel?

Roos: Ik denk wel dat mensen zoals wij niet graag dingen doen die we nog moeten leren. Als het moeilijk wordt, kunnen we het net zo goed delegeren.

Pete: Ja, en we bereiken misschien niet onze volle potentie juist omdát we veel delegeren. Daardoor hebben we bepaalde skills niet meer nodig.

Boven worden we verwelkomd door de lange, bebrilde Paul, die benadrukt dat de kapstok waar we onze jassen aan ophangen zelfgemaakt is.

Het klusprogramma van vandaag: we maken ieder een zogeheten futselplank, een stuk hout met twee latjes. Het maken van zo’n plankje vergt een rijtje vaardigheden, dat we vandaag uitgebreid gaan behandelen: boren, gaten vullen, afplakken, verven, zagen en pluggen. En tussendoor mogen we ook nog een lamp aansluiten, belooft Paul.

Klus-Paul ziet weinig jonkies bij z’n cursus. “Nee, beneden de dertig zijn ze meestal niet. Ja, laatst: toen waren er twee kinderen van vijftien en twaalf, die van hun ouders wat handigs moesten leren. Net dat niveautje hoger, snap je? Die praktische insteek missen we tegenwoordig.” Hij zucht uit z’n neus, houtsnippers schuiven over het tafelblad. “Het is die kennismaatschappij, he? We zijn de praktijk een beetje vergeten.”

We zijn vandaag met z’n vieren. Naast ons zit een vrouw die na haar scheiding niet meer afhankelijk wil zijn van “al die haantjes”, tegenover ons zit een man met grote tatoeages op flinke armen, die na de verbouwing van zijn huis ontdekte dat er nog veel te leren valt. Gelukkig is er dus deze inhaalcursus voor onkundige mensen zoals wij. En omdat we veel te leren hebben, ligt het tempo hoog. We beginnen met een kop ‘flitskoffie’. “Snelle koffie,” legt Paul uit. “Koffie die je snel opdrinkt. En straks eten we een flitsbol.” We zijn even stil. “Een snel broodje”, zegt Paul.

Paul trapt af met wat uitleg in de vorm van De Drie V’s. De eerste V is misschien een inkoppertje: Veiligheid. Paul kijkt ons streng aan terwijl hij bussen met verschillende verfsoorten laat zien: deze V negeren betekent, hij zegt maar wat, dat je hersenen letterlijk oplossen door de giftige oplosmiddelen in alkydverf. “Als je daar veel mee schildert, maar je hebt geen goede luchttoevoer of -afvoer, dan kom je in Nieuw Unicum terecht: een tehuis vol schilders die kierewiet zijn geworden van de dampen.” Ok.

Gelukkig hebben we de tweede V als houvast: Voorbereiding. Voordat we beginnen met welke klus dan ook, waarschuwt Paul, moeten we eerst bedenken wat we nodig hebben. De laatste V hadden we niet kunnen raden, maar het is wel een leuke: Vieren, na al het harde werken. Hoe, vragen we Paul. “Ik vier het met thee”, zegt-ie.

bo·ren (boorde, heeft geboord): met een boor een gat maken

We mogen eindelijk echt beginnen. De eerste klus: boren. We krijgen elk een steengoede accuboor van tegen de 175 euro in onze gretige handen gedrukt, maar weten eigenlijk niet waarom deze boren dat zijn; steengoed. Het blijkt aan het toerental te liggen, legt Paul uit: met een hoog toerental van 1500 of 1600 boor je gemakkelijker en sneller.

Daarna legt hij uit wat voor schroeven we kunnen gebruiken. We wisselen van boor, proberen er een paar uit, beslissen wat van ons is, wat echt voelt als ons, alsof we pistolen testen in een Amerikaanse supermarkt. Deze glijdt als een mes door de boter, zegt Roos, met een dik blauw exemplaar in haar hand.

Even later blijkt Pete toch geen perfecte keuze te hebben gemaakt. Hij boort per ongeluk door een stuk van de tafel.

Roos: “Het is niet jouw schuld.”

Paul: “Geef altijd het apparaat de schuld.”

Pete: “Het is nooit mijn schuld. Ik ben geboren als een verliezer, dus alles voelt als een overwinning.”

Roos breekt een boorschroef af tijdens het boren. “Dat is dan 5,95 euro,” grapt Paul. “Je hebt de boor waarschijnlijk gebogen toen hij niet draaide. Daar kan hij niet tegen.” We leren dat we een ander stuk hout onder datgene wat we willen boren moeten leggen, zodat onze geboorde gaatjes gladde en gave randjes krijgen – en niet wat iedere timmerman, en wij nu met hen, vreest: afgesplinterd.

schil·de·ren (schilderde, heeft geschilderd): met een verflaag bestrijken

Het schilderen van ons futselplankje bestaat uit drie delen: we vullen een kant van ons net geboorde hout met speciale plamuurpasta en laten het drogen, plakken een deel van het plankje af met speciale tape, én we schilderen vervolgens de ene helft met een speciale roller, de andere met een speciale kwast. In klusterminologie is werkelijk alles speciaal.

Het plamuren van de gaten met allesvuller blijkt best eenvoudig. Hiervóór deden we aan symptoombestrijding: tal zijn de keren dat een van ons bijvoorbeeld een schilderij over wat gaten in de muur hing, of zoiets makkelijks uitbesteedde. Het schilderen moet met een bepaalde snelheid: eerst de verf uitspreiden, dan schilderen van links naar rechts, en ten slotte van beneden naar boven, met heel weinig kracht. 

Het tapeje, dat we pas veel later mogen lostrekken van Paul, blijkt een speciale tape te zijn met daarop een goedje dat ook in luiers zit. Het stoot verf op waterbasis af, waardoor het resultaat veel strakker wordt. En dat terwijl we altijd ‘gewone’ tape hebben gebruikt voor onze eigen verfpartijtjes. Oeps. Pete schrijft het merk van het supertapeje direct op in een meegebracht notitieboekje.

elek·tra (de/het; v en o): elektriciteitsvoorziening van een woning

Na de flitsbol (een witte met boter en speculaas) gaan we aan de slag met levensgevaarlijke apparatuur: een lampje, twee draadjes, een kroonsteentje en een half-automatische striptang. “Veiligheid is hier superbelangrijk”, zegt Paul. “Het kan zomaar zo zijn dat de contacten niet helemaal goed zijn. Je zit dan even met je hoofd ergens anders en… KNAL! Ik heb twee keer een klap gehad toen ik elektra beetpakte.” Paul vertelt dat hij toen liefst een week niks meer kon doen met die arm, tot zijn elleboog. Na verf die je hersenen oplost, komt deze knal wat hard aan, ziet hij: “Geen zorgen, ik heb het de meiden van K3 ook moeten leren. Hoe heet ze, eh… Karen.” Hij is even stil, vervolgt dan: “Bovendien, als het goed is, zit er een aardlekschakelaar in je meterkast. Zodra die merkt dat er stroom loopt door, bijvoorbeeld, jouw lichaam, schakelt-ie in een duizendste van een seconde de stroom in het hele huis uit.”

We krijgen allemaal twee draadjes: een afvoer (niks aan het handje als je die aanraakt) en een aanvoer (gevaarlijk!). Je kunt ze checken met een metertje dat lijkt op een schroevendraaier met een ledlampje erin: als we de draadjes goed strippen, wokkelen en vastschroeven, gaat ons lampje branden. We strippen de draadjes met een zogeheten half-automatische striptang en duwen de koperdraadjes samen tot ze netjes in de schakelaar passen. 

Paul: “Oh, jongens! Als Pete ‘m erin steekt moeten we op veilige afstand gaan staan.” 

Pete: “Succes!”

Paul: “Stop ‘m er maar in, jongen.”

(...)

Pete: “HIJ DOET HET!”

Paul: “Celebration!”

Roos en Pete in koor: “Vieren!”

Paul is trots op ons. “Je moest eens weten: sommige mensen knippen zo’n snoer door terwijl de stekker er nog in zin. Gewoon, met een schaar. Dat zijn vaak heel normale mensen. Zoals jullie.”

Om te controleren of we de draadjes goed in het kroonsteentje hebben vastgeschroefd, moeten we de trektest doen: even een harde ruk geven. Roos’ lampje stribbelt tegen.

Pete: “Heb je de trektest wel goed gedaan?” 

Roos: “Ja. Trek zelf.”

za·gen (zaagde, heeft gezaagd): met de zaag doorsnijden

Het volgende stuk gereedschap, de Japanse trekzaag, blijkt Pete’s favoriete beest: je trekt zoals de naam al doet vermoeden vooral aan dit ding met honderden kleine mesjes, waarna het zich in onze latjes vastbijt en verzinkt. De ultradunne zaag is zelfs zonder kracht te zetten perfect in het recht afzagen van stukken hout, dus uitermate geschikt voor de latjes die we moeten maken voor onze futselplankjes. Tipje van Paul: wanneer je bijna door je hout heen bent, verlaag je de druk maar verhoog je de snelheid – dan hou je geen stuk splinter op het eind. De latjes schuren, boren en schroeven we ten slotte aan onze plankjes. 

pluggen (verkleinwoord: plugje of pluggetje): een plastic hulsje in een geboord gat steken

Na het afmaken van de futsels leren we nog even snel pluggen in verschillende materialen, een verlengde van wat we eerder leerden over boren, zodat we ook echt dingen kunnen ophangen. We krijgen een beschermingsbril op en beginnen met een muurtje van gips, en raggen de boor in een betonblok. Zodra de boor het materiaal raakt (in de juiste stand, met de juiste schroef, in de juiste boorrichting) glijdt het er in als een vette vis in de pan. Een kleine stap voor de mensheid, maar een grote stap voor ons.

Aan het einde van de kluscursus overheerst de trots. We bepotelen onze futselplankjes – dat zijn dan wel geen geplakte fietsbanden, maar het heeft wel iets losgemaakt, de cursus.

Volgens Paul hebben we nog zeker vier jaar nodig om de dingen die we vandaag hebben geleerd écht onder de knie te krijgen. Maar de eerste stap is gezet.

We hebben keihard gewerkt aan de drie V’s vandaag. We weten nu dat het bloedlink is om zomaar te beginnen aan een klus, als je (zoals wij) maar wat aanrommelt. Voor je het weet zijn je hersenen opgelost en is je arm defect. We weten nu de weg in de bouwmarkt, en durven te vragen naar materialen en gereedschappen (we staan niet meer met onze mond open de koopjesbak om te spitten). We kennen de waarde van een kwaliteitstapeje en een boor met een hoog toerental. We kunnen boren, zagen, schilderen, pluggen, en weten wat van elektra. En wellicht het belangrijkste van alles: we weten nu hoeveel we niet weten, en daarmee hoeveel we nog kunnen leren.

Paul’s website had gelijk: we zijn minder afhankelijk geworden van onze klusvaders. Er is een gaatje in onze hoofden geboord, waardoor de angst en het zaagsel naar buiten kunnen.

Kom maar op met die scherven, laat die fietsband maar lek gaan.

We weten hoe het moet. En voortaan gaan we het nog doen ook.