brandpunt+

Het verhaal van

Hoe Mai, moeder van vier, tevergeefs Syrië probeerde te ontvluchten

Tom Kleijn

Jihadbruid Mai probeerde met haar vier kinderen de Syrische oorlog te ontvluchten. Zonder succes: nu zit ze vast in de modder, schrijft onze Tom Kleijn.

Ik spreek Mai in een vluchtelingenkamp in Koerdisch gebied in Syrië, vlakbij de Turkse grens, omringd door modder. Haar man zit in een ergens in de gevangenis – ze heeft geen idee waar. Sinds hij achter tralies verdween, heeft ze niets meer van hem gehoord.

Mai heeft vier kinderen.

Ik kan haar verhaal niet controleren, maar ze maakt een sterke en betrouwbare indruk.

Mai, een jaar of dertig, draagt een spijkerbroek en een grijze hoodie, de capuchon beschermd haar hoofd tegen de regen. Van een taalbarrière is geen sprake; Mai’s Engels is uitstekend. Het gevolg van een vier jaar durende studie aan de universiteit van Allepo, waar ze haar man ontmoette. Ze kregen drie kinderen; hadden het goed voor elkaar. Toen brak de oorlog uit, en ging haar man bij de Syrische rebellen. Niet veel later werd hij gedood door een sluipschutter. 

Mai besloot Aleppo te verlaten, om na twee jaar in Damascus terug te keren naar haar familie in Turkije. Haar bestemming behaalde ze nooit.

De route naar het noorden leidde namelijk door Raqqa; het kalifaat bleek niet te omzeilen. Verder reizen was niet mogelijk, maar gelukkig vond Mai een huis in de stad. Naast haar woonde Omar Bilal uit Marokko. Ze werden verliefd en krijgen een kindje. Dat ligt nu te slapen naast Mai, onder een dikke stapel dekens. Een klein meisje met zwarte krullen.

“Omar ging bij IS, maar kreeg na een paar maanden door waar die organisatie voor stond. Hij was het er niet mee eens, wilde er zo snel mogelijk uit.” Dit verhaal hoor je vaker van de bruiden van Syriëgangers: ‘Ik kon er niks aan doen, mijn man was geen strijder, hij wilde er eigenlijk uitstappen en hing het IS gedachtengoed niet aan.’ Maar ja, dat is zo makkelijk nog niet – desserteurs hoeven immers op weinig begrip te rekenen.

Mai steekt een sigaret op. Haar blik wordt zachter. Roken was verboden in het kalifaat, dus deed ze het stiekem – samen met Omar. In de achtertuin, waar niemand het kon zien.

Een buurvrouw rook de sigaretten, en gaf het stel aan. Omar nam vervolgens alle schuld op zich, en werd gestraft. “Daarna rookten we alleen nog op de wc in ons huis,” vertelt Mai.

Kort daarna besloten ze te vluchten. Zonder success: in Koerdistan werd het stel gearresteerd. Omar ging direct de gevangenis in, Mai moest na een paar maanden in de cel met haar kinderen naar een vluchtelingenkamp.

Nu zit ze op een matrasje in een tent, haar vier kinderen om haar heen. Ze onderbreekt haar zinnen vaak om te kuchen. Buiten is het koud. Het regent en overal waar je kijkt ligt modder.

Eigen schuld, dikke bult, zou je denken. Dat geldt ook voor de Nederlandse IS-bruiden in hetzelfde kamp en in de kampen in de buurt. Niemand weet precies hoeveel het er zijn. De Nederlandse overheid wil niet helpen en voelt zich niet verantwoordelijk voor mensen die naar het kalifaat afreizen. Terwijl die vrouwen vaak jonge kinderen hebben die hier natuurlijk niks aan kunnen doen, en waar de Nederlandse staat mogelijk wel verantwoordelijk voor is – het juridische component neemt het morele niet weg. De Syrische overheid wil ze kwijt, de vrouwen zelf willen weg; ze kunnen alleen geen kant op.

Ik vraag Mai wat ze nu gaat doen. Ze zoekt een baantje in het kamp, vertelt ze, want geld heeft ze niet. Ze weet niet waar Omar gevangen zit en Omar weet niet waar Mai is. “Ik kan nergens heen. Het enige wat ik kan doen is wachten. Ik hou hoop en ik weet dat we elkaar weer zullen zien. Ooit.”

Voorlopig blijft ze vastzitten in de modder.