brandpunt+

Interview

Wat kan een traumachirurg ons leren over stressbestendigheid?

Maartje Krijnen

Sommige beroepen lijken voor buitenstaanders ongelofelijk stressvol. Als je werkt als traumachirurg, militair operatie-assistent of luchtverkeersleider heb je nogal wat op je bordje. Eén fout kan grote gevolgen hebben. Wij vroegen ons af: zijn deze beroepen zo stressvol als ze lijken? En zo ja, wat kunnen we dan van mensen met zo’n baan leren over stressbestendigheid? In deze mini-serie laten we mensen met extreem verantwoordelijk werk over deze kwesties aan het woord. Vandaag: traumachirurg Kees-Jan Ponsen (1963).

“Het is begrijpelijk dat je denkt dat ik een stressvol beroep heb. Dit hoor ik vaker, maar ik ervaar dat niet zo. Als traumachirurg ben je gespecialiseerd in het opereren van mensen die net een ongeval hebben gehad: dat gaat van relatief eenvoudige botbreuken tot aan zware inwendige bloedingen toe. Om dit werk te doen móet je wel stressbestendig zijn. Als je van een gereguleerd leven houdt moet je geen traumachirurg worden. Je kan nou eenmaal niet plannen dat je over een paar uur iemand moet opereren die in een motorongeluk terecht is gekomen. Als traumachirurg heb je geen tijd om je helemaal in te lezen en verschillende behandelmethoden te overwegen. De beslissingen die je neemt zijn acuut. Ik houd van de spanning die daarbij komt kijken.”

“Ik werk al sinds 1997 als traumachirurg.  Als beginnend arts ervoer ik meer stress. Het is normaal om in het begin overmoedig te zijn, en als iets dan niet goed gaat dan voel je de druk. Als jonge arts kan je overrompeld worden door een beslissing die snel genomen moet worden. Als je voor de eerste keer een bloeding rond een hart ruimte moet geven door het hartzakje open te maken, dan kan dat stressvol zijn. Inmiddels voelt het werk voor mij als een routine. Ik ben de vijftig gepasseerd en heb het meeste wel gezien. Maar goed, als ik naar de operatiekamer ren om het leven van iemand te redden dan gaat mijn hartslag nog wel omhoog.”

“In de zomer van 2018 heb ik drie maanden voor het Ministerie van Defensie in Irak gezeten. Ik dacht dat ik in een heftige oorlog zou belanden. Gelukkig voor de militairen ter plekke was het heel rustig, maar ik werd er ongeduldig van. Wachten op mensen die behandeld moeten worden is voor mij erg stressvol, omdat ik niet kan doen wat ik wíl doen.”

Kees-Jan wast zijn handen voor een operatie in Irak
Kees-Jan wast zijn handen voor een operatie in Irak

“Stressvolle dagen zijn voor mij dat ik in de ochtend moet opereren en daarna andere dingen moet doen. Als een operatie dan uitloopt dan weet ik dat ik qua tijd in de knel kom. Dat maakt mij onrustig. Ik werk in drie verschillende ziekenhuizen, ben voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie en ook algemeen bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. Daarnaast doe ik de vertegenwoordiging van de chirurgen in het ziekenhuis. Al die taken lopen door elkaar heen en een drukke agenda maakt mijn werk wel stressvol.”

“Ik geniet van drukke dagen en voel me daar goed bij. Op een normale werkdag ben ik meestal om 7 uur ’s ochtends in het ziekenhuis en het komt zelden voor dat ik vóór 7 uur in de avond weer thuis ben. Ik werk hard en maak lange dagen. Hoe ik dit volhoud? Nou, in de pauze drink ik veel koffie en maak ik een praatje op het secretariaat.”

“In de groep met artsen die nog in opleiding zijn, merk ik dat de sfeer heel belangrijk is om stress tegen te gaan. Als die sfeer goed is, vangen mensen elkaar eerder op als het met iemand niet goed gaat. Daardoor wordt de druk op het individu minder en neemt het risico op burn-outs af. Door te zorgen dat het team goed samenwerkt en iedereen pas naar huis gaat als alle taken zijn afgerond, zorg je dat de jonge assistenten het beter doen en minder stress ervaren."

"Ik vind het belangrijk dat er op iedereen in de opleiding nauw wordt gelet. Als je net begint als arts ervaar je veel druk door de lange diensten en de sociale verplichtingen die erbij komen. Soms zie je de jongere collega's op hun tenen lopen en daar moeten we allen voor waken.”