brandpunt+

Interview

Voor altijd in de horeca: drie hoogopgeleiden die bleven plakken (en dolgelukkig zijn)

Madelon de Goffau

“Mijn baan als ijsverkoper was leuk en luchtig. Maar helemaal niets meer doen met mijn studie? Dat kon ik mij echt niet voorstellen.”

Loop een willekeurig restaurant of koffiehuis binnen en je treft er een melkopschuimende millennial aan. De horeca is de perfecte uitvalsbasis voor de sloeberige student, die tussen de bedrijven door driftig dagdroomt over een goudomrande toekomst.  

Maar wat als die gewenste carrière niet komt? Of als die droombaan bij dat grote kantoor meer de vorm van een catastrofe aanneemt? Wat als je voor altijd melk blijft opschuimen en je bijbaantje je vaste werk wordt?

Ik sprak drie horecamedewerkers die zich realiseerden dat hun droombaan niet zou worden bereikt met hun universitaire diploma's. Zij bleven welbewust hangen in de horeca. En ja: daarvoor moet je stevig in je schoenen staan.

Corrine (29): ooit jurist, werd ijsverkoper

“Mijn moeder zag wel een politicus in mij. Ik voelde zelf meer voor de advocatuur en ben dan ook vastbesloten aan een studie rechten begonnen. Op de rechtenfaculteit heerste een moordende concurrentie onder studenten. Als vanzelf deed ik mee aan die strijd. Ik sleutelde continu aan mijn cv en deed alles voor de hoge cijfers.”

“Dat wierp zijn vruchten af: midden in de crisis kreeg ik mijn eerste baan bij een groot advocatenkantoor. Missie geslaagd, denk je dan. Maar op kantoor sloeg de klok langzaam en als mijn wekker ’s ochtends afging dacht ik alleen maar: hoe lang kan ik nog blijven liggen? Ik besefte dat ik nog helemaal niet toe was aan zulk serieus werk. Ik had te snel en te veel geleerd.”

“De mensen om mij heen snapten helemaal niks van mijn keuze.”

“Ik nam ontslag en werd ijsverkoper. Even er tussenuit zou mij goed doen, was mijn overtuiging. Maar daarin bleek ik behoorlijk alleen te staan. De mensen om mij heen snapten helemaal niks van mijn keuze. Het lijkt voor onze generatie moeilijk te accepteren dat iemand zich onttrekt aan status, exposure en prestaties.”

“Ondanks alle kritiek voelde ik eindelijk weer dat ik leefde. In de ijssalon was de gunfactor hoog onder mijn collega’s. En bovenal, we hadden plezier in het werk, dat was iets dat ik nog niet kende.”

“Toch knaagde er iets. Wat moest ik nu? Terug naar de advocatuur of voor altijd ijs blijven verkopen. Dat werk was leuk en luchtig. Maar helemaal niets meer doen met mijn studie? Dat kon ik mij echt niet voorstellen.”

“Na veel wikken en wegen keerde ik tijdelijk terug naar de advocatuur. Vooral omdat ik niet toe wilde geven dat ik mijn studie voor niets had gedaan. Toch drong het besef zich opnieuw aan mij op: de advocatuur maakt mij niet gelukkig.”

“Het organiseren van evenementen trok mij wel en zo werd ik zelfstandig eventmanager. Opnieuw stuitte ik op weerstand van mijn omgeving. Zo organiseerde ik eens een bedrijfsborrel voor een advocatenkantoor waar bekenden van mij werkten. Ik was zo bang voor hun reacties dat ik amper de ruimte in durfde. Hier werd het pijnlijk duidelijk dat er van je verwacht wordt het hoogst mogelijke carrièrepad te bewandelen.”

“Toch bleef ik bij mijn keuze. Ik organiseer nu evenementen zoals het International Film Festival Rotterdam. Ik kom iedere dag op nieuwe plekken en ontmoet telkens nieuwe mensen. Als ik nu ergens binnenkom, ben ik een gelijke in plaats van een nummertje, zoals vaak in de advocatuur. Mijn belangrijkste les: dat het oké is om niet binnen de norm te vallen en simpelweg te doen wat mij gelukkig maakt.”

Martijn (30): ooit eeuwige student, werd restaurantmanager

“Mijn vrienden zijn allemaal flinke carrièretijgers en als ik naar een feestje ga, ben ik toch die jongen die in de horeca werkt. Altijd krijg ik de vraag: en wat studeer je dan? Men gaat ervan uit dat het een bijbaan is of dat je een tussenjaar hebt. Zelfs collega’s verlaten de horeca om een ‘grote-mensen-baan’ te zoeken.”

“Als ventje van veertien had ik ooit een gesprek met mijn decaan. Het leek mij toen al wat om in de horeca te werken. ‘Nou, dan zit je op het gymnasium op de verkeerde plek’, kreeg ik te horen. Ik werd daar opgevoed met het idee dat je voor je dertigste miljonair moet zijn.”

“De horeca is een vak.”

“Ik koos na de middelbare school voor de opleiding Business Engineering. Best interessant, maar ik werd er vooral heel moe van. Ik zat acht uur per dag achter een computer te ontwerpen. Jaar na jaar verstreek en net als elke langstudeerder moest ik ergens het geld vandaan halen, dus ik werkte steeds meer uren in de horeca. Daar besefte ik hoe erg ik genoot van het contact met mensen.”

“Mijn vader zag dat. Hij worstelde met een depressie waardoor ik veel met hem over het leven sprak. Op een dag zei hij: ‘Martijn, je moet werk gaan doen waar je gelukkig van wordt.’ Korte tijd later pleegde hij zelfmoord. Zijn woorden hebben mij aan het denken gezet. Ik kon wel het verwachtingspatroon waarmaken en een gedroomde ingenieur worden, maar ik word gelukkig van twee dingen: mensen én eten!”

“Daarom besloot ik fulltime de horeca in te gaan. Daar heb ik nog geen moment spijt van gehad. Achteraf denk ik: misschien had ik inderdaad de Middelbare Hotelschool moeten gaan doen. Dan was ik theoretisch verder geweest in het vak. Want dat is het: de horeca is een vak.”

Alexander (31): ooit historicus, werd wijnmaker

“Als je mij op mijn twintigste had gezegd dat ik nu wijnmaker zou zijn, dan had ik je niet geloofd. Ooit hoopte ik bij de Verenigde Naties terecht te komen. Met een studie politicologie dacht ik dat te bereiken, dus ploeterde ik mij daar zeven jaar lang doorheen.”

“Die studie leverde fantastische banen op. Zo werkte ik voor een campagnebureau, was fractie-assistent voor de lokale partij Red Amsterdam en ik ging aan de slag als redacteur bij de VPRO. Maar deze banen hadden één gemene deler: iedere dag ging ik naar dezelfde kantoorruimte om  achter een computer te zitten. Een beetje dingetjes doen op een scherm, daar heb ik niet zoveel mee.”

“Ik hield mezelf voor: nooit een baan nemen in iets wat je leuk vindt. De grootste denkfout uit mijn leven!”

“Tijdens mijn zevende jaar op de universiteit, realiseerde ik me dat het allemaal wel heel lang duurde. Tegelijkertijd verloor ik mijn baan. Een goed moment om het roer drastisch om te gooien. Al die tijd had ik mezelf voorgehouden: nooit een baan nemen in iets wat je leuk vindt, want dan gaat het je tegenstaan.. Dat was de grootste denkfout in mijn leven!”

“Zo studeerde ik af als historicus en ging aan de slag als ecologisch schapenboer. Toch bleek dat het ook niet helemaal te zijn, dus ging ik fulltime aan de slag in het restaurant van mijn moeder, waar ik de wijnkaart beheerde. Dat soort werk hield me een beetje sane, gewoon met mijn handen bezig zijn. Ik dacht altijd dat ik twee linkerhanden heb en geen buitenmens ben, moet je nagaan…”

“Uiteindelijk vond ik mijn droombaan als wijnmaker. Ik vertrok naar Frankrijk en vestigde me in een vallei tussen de wijnboeren. Het klinkt enorm zelfhulpboekerig en cliché, maar als je doet wat je leuk vindt, vind je vanzelf een manier om ervan te leven.”