brandpunt+

Blog

Ik ging mee met twee Amsterdamse GGD’ers die verwarde mensen uit de put trekken

Liesbeth Staats

In 2016 waren er 75 duizend meldingen van verwarde personen; bijna een verdubbeling vergeleken met vijf jaar eerder. Een paar gemeentes lossen dat probleem even inventief als praktisch op. Onze Liesbeth Staats ging in het kielzog van twee wijk-GGD’ers langs bij een verwarde man om te kijken waarom het in de hoofdstad wél lukt.

“Kom maar binnen dan, met die hele bende.”

We staan in het trappenhuis, voor de deur van meneer Peterse. Ik sta achter de rug van Annette en Michael, het tweekoppige GGd-team in Amsterdam Oost. We mogen mee op bezoek bij Meneer Peterse – met goedkeuring van die laatste, natuurlijk.

Hij staat in de deuropening en wenkt ons naar binnen. Meneer Peterse is eind 60, heeft een korte grijze baard en draagt een fleecevest. In zijn appartement hangt een fors gordijn van sigarettenrook – de boel is hier overduidelijk al een poosje niet meer doorgelucht. Ik hap even naar adem.

Het appartement is nog niet helemaal af, óf hij staat op het punt te verhuizen, lijkt het. De banken zijn gewikkeld in plastic en het is alsof hij alleen aan zijn eettafeltje leeft. Koffie, twee asbakken, stapels geopende enveloppen en wat losse medicijnen vechten om een plekje.  We passen er net bij.

Het gaat niet zo goed met meneer Peterse. Hij eet slecht, komt weinig buiten, en mist met enige regelmaat een doktersafspraak. Laatst nog, toen hij eigenlijk naar het ziekenhuis moest voor een foto, maar uiteindelijk niet durfde.

Tegelijkertijd laat hij vreemde mensen binnen als die ’s nachts bij hem aanbellen. Insluipers, die vervolgens  zijn geld meenemen. Dat is nu al een paar keer gebeurd. Wat óók niet helpt, is dat meneer Peterse het hart nogal op de tong heeft, zullen we maar zeggen. Daarmee heeft hij deze week de thuiszorg weggejaagd. De schoonmaakhulp voelt zich bedreigd, heeft ze gezegd, en ze blijft nu weg.

“Ze liep hier met de vieze dweil over mijn schone vloer te druppen! Ik zei: je hebt nog twee, misschien drie minuten, en dan kun je het ziekenhuis bellen, want dan ram ik erop.” Hij vertelt het vol vuur en overtuiging. 

Ik begrijp de schoonmaakhulp eerlijk gezegd wel.

“Ik maak me zorgen over u, meneer Peterse”, zegt Annette, als we erin geslaagd zijn tussen de spullen een plekje te veroveren aan tafel. “Hoeft niet,” antwoordt hij stoer. “Jawel,” houdt Annette vol, “u valt teveel af en u heeft de hulp die u krijgt hard nodig. Die moet u niet wegjagen.” 

Meneer Peterse draait langzaam een shagje, zwijgt, en breekt dan een beetje. Hij vertelt duidelijk en eerlijk dat hij zo graag wat meer mensen zou zien overdag. Gewoon, voor een praatje. Hij mist zijn werk; sinds zijn pensioen ziet hij eigenlijk niemand meer. Zijn eenzaamheid grijpt hem naar de keel.

En als er dan mensen in de buurt zijn, weet hij zich geen houding te geven. Dan reageert hij geprikkeld of boos, vertelt meneer Peterse. “Ik heb een kort lontje, zeggen ze.”

Gevolg: ruzie en overlast voor de buren, die dan weer de politie bellen.

En daarom zijn Annette en Michaël er. “Zou u het fijn vinden om op maandagvond hier in het buurtcentrum met andere mensen een warme maaltijd te eten? Voor de gezelligheid?” Meneer Peterse sputtert een beetje tegen. Hij durft dat eigenlijk niet zo goed, biecht hij na enig aandringen op. Moeilijk moeilijk moeilijk, dat eten met anderen – hij is het niet meer zo gewend.

Het maakt weinig indruk op de behulpzame GGD-medewerkers naast me. “Ik regel een vrijwilliger van de Buurthulp voor u,” zegt Annette. “Die komt u halen en dan gaat u samen naar het diner.” Meneer Peterse knikt, en oogt opgelucht.

Zware shag

We nemen afscheid en fietsen naar de volgende klant van Annette en Michael. Soms zijn het maar kleine oplossinkjes die een groot effect hebben, vertellen ze. Iemand die meneer Peterse ophaalt en naar het buurtcentrum brengt op maandagavond. Het zou zo maar ruzie, geschreeuw en overlast op straat kunnen schelen. Én een paar uur werk voor de politie.

Ik fiets die dag achter Michael en Annette aan door Amsterdam Oost, van klant naar klant. Het is fris; er staat een ijzige wind.

Toch ruikt mijn jas nog twee dagen naar de zware shag van meneer Peterse.