brandpunt+

Tip

Als we het klimaat willen behoeden, is dit onze reddingsboei

Roos van Tongerloo

Isabelle Veltman

We moeten in de leer bij onze grootgrootgrootgrootouders. Halverwege de negentiende eeuw stond het klimaat namelijk veel dichter bij de mens. Zo maakten ‘gewone mensen’ zich toen even druk om kwesties als ontbossing, verstedelijking, en het droogpompen van moerassen als die verfoeide elite.

Stel je voor: Maartje en Jeroen staan in een glazen hokje te wachten op een bus die maar niet komt. Ze kennen elkaar van gezicht, maar hebben nog nooit een woord gewisseld. De lucht betrekt en het begint te regenen. Maartje en Jeroen kijken elk op van hun telefoon, naar het glazen dak, waarop de druppels steeds sneller en zwaarder vallen. De regen heeft de wind in haar rug en vindt hun (tot dan droge) voeten. Maartje ziet hoe Jeroen zijn kraag optrekt. “Hè, regen,” verzucht ze. Jeroen, een beleefde vent, maakt oogcontact en zegt: “Ja, dit zat eraan te komen. We hadden ’t kunnen weten.”

Maartje knikt: “Ik hoopte dat ik het net voor zou blijven. Maar het blijft de hele avond zo he?” Jeroen kijkt weer even op zijn telefoon: “Hm, ja. volgens weer.nl zeker tot acht uur. Godgloeiende, ik moet straks nog een pokkenend fietsen ook.” Even later stopt de bus bij de halte, en schopt met zijn wielen een plens water over twee paar schoenen. Een kwartiertje verder stappen Maartje en Jeroen uit bij een station. “Succes, he,” zegt Maartje, “Met je fietstocht.” Jeroen zwaait joviaal. “Yes, jij ook. En met je schoenen. Zie je later!”

In het in 2008 verschenen boek Community; the structure of belonging, van de Amerikaanse schrijver Peter Block kwam ik de regen tegen: een ultiem en feilloos bindmiddel. Niets maakt het kuddedier in de mens zo wakker als het weer. Maartje en Jeroen zijn zich even bewust van iets gemeenschappelijks: die plek, dat tijdstip, die regen. Gedeelde smart of pret. Door over het weer te praten wordt de band tussen de twee onbekenden in rap tempo versterkt: ze denken hetzelfde, ze zien op tegen hetzelfde, en willen hetzelfde.

Toch merkwaardig dat zodra praten over het weer verandert in praten over het klimaat, die gemeenschapszin smelt als sneeuw voor de zon

Het weer is zo weinig aan interpretatie onderhevig dat ze er vermoedelijk exact dezelfde mening over hebben. Als het heel hard regent, blijken we – onafhankelijke einzelgängers als we zijn – zelfs bereid met z’n tienen in het hokje te staan, als sardines in blik. Een gesmeerde minimaatschappij binnen de bushalte.

Toch merkwaardig dat zodra praten over het weer verandert in praten over het klimaat, die gemeenschapszin smelt als sneeuw voor de zon. Het wordt ons te abstract, zegt de Britse filosoof Timothy Morton. Het weer is een gespreksonderwerp, het klimaat is een hyperobject: we weten wel dat het bestaat, maar kunnen het niet bevatten. Mensen die met een hyperobject geconfronteerd worden, sluiten zich ervan af of gaan er keihard tegenin.

“In the East, it could be the COLDEST New Year’s Eve on record," twitterde Donald Trump in december, toen Amerika binnen moest blijven vanwege de hevige, aanhoudende sneeuwval. “Perhaps we could use a little bit of that good old Global Warming.” Hoezo klimaatverandering, dacht de President van Amerika. Als ik er niets van merk, bestaat het niet.

Terwijl, kom op: er zijn mensen zat voor wie het klimaat niet abstract is. Wetenschappers, activisten, mediamakers, Gerrit Hiemstra: ze doen hun stinkende best het klimaat aan ons uit te leggen en ons bewust te maken van de gevolgen van de opwarming van de aarde. Met onderzoeksresultaten die barsten van cijfers die er niet om liegen gaan ze de abstractie te lijf. Maar concreet genoeg wordt het doorgaans niet. Thierry Baudet noemde Al Gore’s film An inconvenient truth, waarin de oud-politicus turned klimaatactivist een verontrustend beeld schetst van de impact van klimaatverandering, een paar weken terug nog 'een propagandafilm'. “Er is geen toename in extreme weersomstandigheden”, twitterde de leider van het Forum voor Democratie. “Het klimaat warmt veel minder op dan altijd voorspeld. Meer CO2 heeft geweldig positief effect op plantengroei. Smog in India heeft niets met C02 te maken.”

Je kon meteoroloog Hiemstra tussen de letters van zijn antwoord door bijna horen zuchten: “Een tweet met vier keer onzin. Wie kan hier overheen?”

De cijfers zijn er wel, maar wie maakt er chocola van? Het is aan de wetenschap en de politiek om abstracte problemen concreet te maken voor het publiek

Heel gevaarlijk, zo’n twitterfittie, volgens de Amerikaanse historicus Deborah Coen. Baudet maakt handig gebruik van het hyperobject: de meeste mensen begrijpen te weinig van klimaatverandering om hem tegen te kunnen spreken. De cijfers zijn er wel, maar wie maakt er chocola van? Of, zoals Coen het vraagt, in een van haar artikelen: “When the fate of the planet hangs in the balance, can the public be trusted to interpret data and models appropriately?” Het is aan de wetenschap en de politiek om abstracte problemen concreet te maken voor het publiek, vindt ze. En snel een beetje. Niet alleen omdat het belangrijk is dat de waarheid boven tafel komt, maar vooral omdat mensen niet in actie komen als ze niet begrijpen (en met hun eigen ogen zien) waar het over gaat.

Halverwege de negentiende eeuw stond het klimaat veel dichter bij de mens, legt Coen uit. ‘Gewone mensen’ maakten zich druk om ontbossing, verstedelijking, en het droogpompen van moerassen. Minder natuur, dachten ze, zou een negatief effect hebben op de atmosfeer. De lucht zou opdrogen, en mens en dier zouden minder gemakkelijk kunnen ademen. Wetenschappers onderzochten het klimaat vanuit een menselijk perspectief: wat hebben wij met het klimaat te maken? Heeft het last van ons? Kunnen we het beïnvloeden? Samen met mensen op het land onderzochten ze vegetatie, dieren, het weer, en wisselden ze informatie uit. “Wetenschappers en ‘gewone mensen’ ontwikkelden een klimaat-bewustzijn, waardoor ze patronen ontdekten en het klimaat en de mens in een historisch perspectief plaatsten.” Begrijpen bleek het logische gevolg van uitleggen, en de kloof tussen de wetenschappelijke elite en de landarbeider verkleinde.

Als we het klimaat willen redden, moeten we een voorbeeld nemen aan onze grootgrootgrootgrootouders, stelt Coen voor. We moeten af van die eeuwenoude reflex van wetenschappers om hun expertise ver van de belevingswereld van Jeroen, Maartje, en de buurvrouw te houden. Devies moet zijn: maak het concreet als mogelijk. Als de expert, de beleidsmaker, en de ‘gewone mens’ het gevoel krijgen dat ze het klimaat delen, als een regenbui die klettert op het dak van de bushalte, zijn ze pas bereid naar elkaar te luisteren, schrijft Coen.

“Het is me het klimaatje wel, hè.”

“Zeker! Zullen we dan maar de fiets pakken?”

Illustratie: onze Isabelle Veltman